Functionele cookies: Wij plaatsen functionele cookies om deze website naar behoren te laten functioneren en analytische cookies waarmee wij het gebruik van de website kunnen meten. Deze cookies gebruiken geen persoonsgegevens.


Ik wil gepersonaliseerde informatie: Hiermee ontvang je gepersonaliseerde informatie op onze website die wordt afgestemd op je internetgedrag. Ook kunnen we nieuwsbrieven beter afstemmen op jouw voorkeuren.


Eén momentje voor een bewuste keuze…

Ga voor meer informatie naar onze cookieverklaring en privacyverklaring.

Onze volleyballers grepen in augustus in Rotterdam net naast een felbegeerd ticket voor de Olympische Spelen in Tokio. Deze week krijgen de Lange Mannen een nieuwe kans, tijdens het kwalificatietoernooi in Berlijn. Robbert Andringa (29) vertelt hoe de olympische droom bij de volleyballers leeft.

vrijdag 03 januari

De Nederlandse volleyballers deden voor het laatst mee aan de Olympische Spelen in Athene in 2004. Dat is lang geleden.
“Ja, zestien jaar alweer. Van ons huidige team heeft niemand dat meegemaakt. De laatste nog actieve spelers die in Athene hebben gespeeld, waren Kay van Dijk en Nico Freriks.”

Jullie zijn sterk bezig de laatste tijd. In 2018 stond Nederland voor het eerst sinds lange tijd weer op het WK. Wat is er veranderd?
“Er zit inderdaad een stijgende lijn in. We hebben een compleet team. Voor alle onderdelen van het volleybal hebben we een aantal jongens die dat goed beheersen. De grootste groep is van de lichting 1989, ‘90 en ‘91. Er zitten een paar oudere spelers bij en ook wat jongere. Dus het team is ook mix van ervaring en talent. Met de coach en de staf werken we er allemaal keihard voor. Dat werpt vruchten af. Hopelijk ook volgende week.”

Robbert Andringa serveert. Foto: Nevobo/RH Fotografie.

Robbert Andringa serveert. Foto: Nevobo/RH Fotografie.

Sinds maart hebben jullie een nieuwe bondscoach, de Italiaan Roberto Piazza. Wat is zijn inbreng?
“Hij is heel erg van het harde werken, maar wel zo dat je er ook plezier in houdt. We maken veel uren, maar er is altijd plaats voor een geintje of een grap. Hij is ook een aanjager.”

Hoe sterk leeft de olympische droom binnen de huidige groep?
“Ik denk dat die is toegenomen na het eerste olympisch kwalificatietoernooi, in augustus in Rotterdam. We waren zo dichtbij. We moesten nog één wedstrijd winnen en we waren gekwalificeerd. We beleefden dat toernooi van wedstrijd tot wedstrijd. We hadden best een lastige poule. De eerste wedstrijd wonnen we van Zuid-Korea. Niet heel clean, maar we wonnen wel. De volgende wedstrijd tegen België ging het redelijk goed. In de finale moesten we tegen de Verenigde Staten. Dat is de nummer 1 of 2 van de wereld, dus we hadden weinig te verliezen. We bleven redelijk lang bij ze in de buurt. Alleen waren zij net wat beter.”

Robbert Andringa in Apeldoorn in actie tegen Japan. Foto Nevobo/RH Fotografie.

Robbert Andringa in Apeldoorn in actie tegen Japan. Foto Nevobo/RH Fotografie.

Hoe kijk je zelf tegen de Olympische Spelen aan?
“De meeste spelers van mijn leeftijd zijn met volleybal begonnen op een moment dat ons nationale team de top van de wereld was. En als je denkt aan volleybal en de Olympische Spelen, dan ga je toch terug naar die tijd. Ik weet nog dat we opbleven om in 1996 de finale van Atlanta te zien. Ik was toen zes jaar. Prachtig dat ze toen wonnen. En kort daarvoor was de finale van de World League in Rotterdam. Daar ben ik nog wezen kijken. Die wonnen ze ook.”

Spreek je wel eens mannen van dat team?
“Met Henk-Jan Held hebben we iemand in de staf die meerdere Olympische Spelen heeft gespeeld en die ook olympisch kampioen is geworden. Dus als er iemand over kan vertellen is hij het. Peter Blangé is bondscoach geweest. Ik heb mijn debuut in het nationale team onder hem gemaakt. Dat was in 2010. Ron Zwerver is een tijd lang assistent-bondscoach geweest. Bas van der Goor komen we vaak tegen op Papendal. Die vier zijn voor ons het meest zichtbaar.”

Robbert Andringa juicht na een punt op het EK tegen Italië. Foto: Nevobo/RH Fotografie.

Robbert Andringa juicht na een punt op het EK tegen Italië. Foto: Nevobo/RH Fotografie.

Jij miste vorig jaar het WK door een blessure. Motiveert jou dat extra om de Spelen te halen?
“Het motiveerde me vooral om het kwalificatietoernooi van afgelopen zomer te halen. Binnen een half jaar had ik twee keer mijn middenvoetsbeentje gebroken. Daardoor moest ik het WK missen. Het WK ging boven verwachting goed. Daardoor was het extra zuur om daar thuis op de bank naar te kijken. Ik gunde die jongens natuurlijk alles. Ik weet wat ze ervoor hebben gedaan en ik was blij voor ze. Maar ik had er heel graag zelf gestaan. Ik wilde dat niet nog een keer meemaken: stel dat we ons zouden kwalificeren voor Tokio en ik was er weer niet bij. Ik heb er alles aan gedaan om dat OKT te halen. Uiteraard wel zo lang het binnen de medische wetten nog verantwoord was. Ik heb me laten opereren om vrij snel weer bij de groep aan te kunnen sluiten. Het botje is ongeveer vijftien centimeter en er zit nu een schroef in van tien centimeter. Dus die breekt denk ik niet meer. De medici kunnen voor 99 procent uitsluiten dat het weer gebeurt.”

En nu krijgen jullie een nieuwe kans om je te kwalificeren. Hoe schat je jullie kansen in?
“Als je het heel zwart op wit bekijkt, was het toernooi in augustus een makkelijkere kans om te kwalificeren. Toen was er één ticket voor vier ploegen. Nu strijden er acht teams om een ticket. Als je naar de groepsindeling kijkt, is het wel duidelijk dat we het niet hebben getroffen. We spelen eerst tegen Servië, Bulgarije en Frankrijk. Dat zijn drie Europese topteams. Maar deze zomer hebben we een stap gezet naar de top. Als we dat nu weer doen zijn we zeker niet kansloos.”

De voorbereiding is kort…
“Sommige jongens die in Italië spelen, hadden op Tweede Kerstdag nog een wedstrijd. Die zijn de volgende dag in het vliegtuig gestapt om zich bij de groep aan te sluiten in de voorbereiding op het OKT. Dus het was de ene tas thuis neerzetten, de andere inpakken en gelijk weer door. Dat tekent wel hoeveel we ervoor over hebben. Het is iets anders dan wanneer je een hele zomer hebt om je op een groot toernooi voor te bereiden. Nu was het vooral zo fit mogelijk binnenkomen en snel slijpen aan een team.”